laying next to you tonight."
Bij het denken aan de liefde
Heb ik liefde lief,
En ‘t is de liefde tot u, Geliefde,
Die mij tot die liefde hief.
that would rise above the mountains and the stars and the sea
and if i wanted it to it would lead you back to me"
T’en sijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,
T’en sijn de crijghs-luy niet die met haer felle vuysten
Den rietstock hebben of den hamer opgelicht,
Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht,
Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten:
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit hebt gedaen,
Ick ben den swaren boom die u had overlaen,
Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,
De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,
De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:
Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.
1630
Daar stonden rozen, in de regen.
Snij ze toch niet af, vroeg ik.
Ze blijven niet, zei ze.
Maar ze zijn zo mooi
waar ze zijn.
Ach, mooi waren we allemaal eens,
zei ze
en sneed ze af en gaf me
in de hand.